Verhaal: "De Vuilnisman"

1 comment
(BRON afbeelding.)

Vandaag geen gewoon artikel, maar een verhaal. Het is vrij lang (voor een artikel dan, in een word-bestand is het ongeveer 2 pagina's) maar zeker de moeite waard om te lezen!

De vrouw ploft neer op het bankje en zet de vuilniszak tussen haar voeten. Met haar ellebogen op haar knieën en haar kin in haar handen staart ze naar het trottoir. Alles doet pijn. Haar rug. Benen. Nek. Haar schouder is stijf en haar handen zijn ontveld. Allemaal door de zak. O, was ze die vuilnis maar kwijt.
Een dikke laag wolken vormt een grijs plafond, grijs van duizend zorgen. Beroete gebouwen werpen lange schaduwen, ze maken de stegen en de mensen die er lopen donker. Een kille motregen veroorzaakt modderige stroompjes in de goten. De vrouw trekt haar jas dichter om zich heen. Een passerende auto doorweekt de zak en maakt spetters op haar spijkerbroek. Ze verroert zich niet. Te moe.

Haar herinneringen aan een leven zonder vuilnis zijn wazig. Als kind misschien? Haar rug was rechter, ze liep sneller… of was dat een droom? Ze weet het niet meer.
Nog een auto. Deze stopt en wordt geparkeerd. Er stapt een man uit. Ze ziet zijn schoenen in de blubber zakken. Uit de auto haalt hij een vuilniszak, vol met rommel. Hij hangt hem over zijn schouder en verwenst het gewicht van de zak.
Geen van beiden zegt iets. Misschien heeft hij haar niet eens opgemerkt. Zijn gezicht ziet er jong uit, jonger dan zijn kromme rug. Even later is hij verdwenen. Haar blik richt zich weer op de stoep.
Ze kijkt nooit naar haar afval. Vroeger wel. Maar wat ze zag, deed haar walgen, dus heeft ze de zak sindsdien dicht gelaten.
Wat moet ze anders? Hem aan iemand geven? Iedereen heeft er zelf een.
Daar komt een jonge moeder. Met één hand houdt ze een kind vast; met de andere sleept ze haar bultige en zware vracht. Er loopt een oude man langs, zijn gezicht bezaaid met rimpels. Zijn vuilniszak is zo lang dat hij bij het lopen tegen de achterkant van zijn benen stoot. Hij werpt een snelle blik op de vrouw en probeert te glimlachen.
Wat voor last zou hij dragen? vraagt ze zich af terwijl hij voorbijloopt.
‘Spijt.’
Ze draait zich om, om te zien wie dat zei. Naast haar op het bankje zit een man. Lang, met een vierkante kaak en heldere, vriendelijke ogen. Net als zij heeft hij moddervlekken op zijn spijkerbroek. Maar in tegenstelling tot haar heeft hij rechte schouders. Hij draagt een T-shirt en een petje. Ze kijkt rond, op zoek naar zijn vuilnis, maar ziet die niet.
Hij kijkt de oude man na tot hij uit het zicht verdwijnt en legt uit: ‘Als jonge vader werkte hij hard en verwaarloosde zijn gezin. Zijn kinderen houden niet van hem. Zijn zak is vol, vol met spijt.’
Ze reageert niet. En als zij niets zegt, zegt hij iets.
‘En die van jou?’
‘Die van mij?’ vraagt ze, en kijkt hem aan.
‘Schaamte.’ Zijn stem is teder, vol medeleven.
Ze zegt nog steeds niets, maar wendt zich ook niet af.
‘Te veel uren in de verkeerde armen. Afgelopen jaar. Afgelopen nacht… schaamte.’
Ze verstijft, en wapent zich tegen de minachting die ze heeft leren te verwachten. Alsof ze nog meer schaamte nodig heeft. Laat hem ophouden. Maar hoe? Ze wacht op zijn veroordeling. Maar die komt niet. Zijn stem klinkt warm en zijn vraag oprecht. ‘Wil je mij je vuilnis geven?’
Ze deinst terug. Wat bedoelt hij?
‘Geef die zak aan mij. Morgen. Bij de stortplaats. Doe je het?’ Hij veegt met zijn duim een natte vlek van haar wang en gaat staan. ‘Vrijdag. Bij de stortplaats.’
Lang nadat hij weggegaan is, zit ze daar nog. Ze speelt het voorval opnieuw af in haar hoofd en raakt haar wang aan. Zijn stem zingt nog rond, zijn uitnodiging hangt nog in de lucht. Ze probeert zijn woorden van zich af te zetten, maar dat lukt niet. Hoe kon hij weten wat hij wist? En hoe kon hij het weten en toch vriendelijk blijven? De herinnering nestelt zich op de bank van haar ziel, een ongenode, maar welkome gast.

Die nacht droomt ze zomerdromen. Een meisje speelt, onder een blauwe lucht met wattige wolken, tussen wilde bloemen en zwiert met haar rokje. Ze droomt dat ze rennend met haar handen wijd open langs de zonnebloemen strijkt. Ze droomt over gelukkige mensen die een wei vullen met gelach en hoop.
Maar als ze wakker wordt, is de lucht donker, de wolken zijn dicht en de straten duister. Aan het voeteneind van haar bed ligt haar zak met vuilnis. Ze hangt hem over haar schouder, gaat haar flat uit, de trap af en de straat op, die nog steeds modderig is.
Het is vrijdag.
Even blijft ze peinzend staan. Ze vraagt zich af wat hij bedoelde, en daarna of hij het echt meende. Ze zucht. Met hoop die het maar net wint van haar wanhoop loopt ze naar de rand van de stad. Anderen gaan in dezelfde richting. De man naast haar ruikt naar alcohol. Hij heeft vele nachten in zijn pak geslapen. Een tienermeisje loopt een paar meter voor hen. De vrouw met haar zak vol schaamte haast zich naar haar toe. Het meisje geeft antwoord voor de vraag ook maar gesteld kan worden: ‘Woede. Woede vanwege mijn vader. Woede vanwege mijn moeder. Ik ben die boosheid moe. Hij zei dat hij die zou overnemen.’ Ze gebaart naar de zak. ‘Ik ga deze aan hem geven.’
De vrouw knikt en de twee lopen samen verder.
Op de stortplaats ligt het vuilnis hoog opgestapeld Ð papier, kapotte bezems, oude bedden en roestige auto’s. Tegen de tijd dat ze de berg bereiken, is de rij naar de top lang. Honderden lopen voor hen uit. Allen wachten in stilte, verbijsterd door wat ze horen Ð een schreeuw, een van pijn doordrongen brul die een poosje in de lucht blijft hangen, slechts onderbroken door een kreun. Dan weer de schreeuw.
Van hem.
Als ze dichterbij komen, zien ze waarom. Hij knielt voor iedere persoon, wijst naar de zak, doet een verzoek en zegt dan een gebed. ‘Mag ik die hebben? Ik hoop dat je hem nooit weer zult voelen.’ Dan buigt hij zijn hoofd, tilt de zak op en leegt hem boven zichzelf. Het egoòsme van de gulzigaard, de bitterheid van de boze mensen, de bezitterigheid van de onzekeren. Hij voelt wat zij voelden. Het is alsof hij heeft gelogen of bedrogen of zijn Maker heeft vervloekt.
Als ze aan de beurt is, wacht de vrouw even. Ze aarzelt. Zijn ogen sporen haar aan een stap naar voren te zetten. Hij steekt zijn hand uit naar de vuilnis en neemt het van haar over. ‘Hiermee kun je niet leven,’ legt hij uit. ‘Daar ben je niet voor gemaakt.’ Met zijn hoofd naar beneden leegt hij haar schaamte op zijn schouders. Dan kijkt hij met betraande ogen naar de hemel en schreeuwt: ‘Het spijt me!’
‘Maar u hebt niets gedaan!’ roept ze.
Hij snikt zoals zij honderden nachten in haar kussen heeft gesnikt. En dan beseft ze dat zijn schreeuw de hare is. Haar schaamte de zijne.
Met haar duim raakt ze zijn wang aan en voor het eerst sinds een lange, donkere tijd kan ze een stap doen zonder vuilnis te hoeven dragen.
Met de anderen gaat ze aan de voet van de berg staan en kijkt hoe hij wordt begraven onder een hoop ellende. Een tijdlang kreunt hij. Dan niets meer. Slechts stilte.
De mensen zitten tussen de kapotte auto’s, het papier, de afgedankte fornuizen en vragen zich af wie deze man is en wat hij heeft gedaan. Als treurenden bij een dodenwake dralen ze. Sommigen vertellen hun verhaal. Anderen zeggen niets. Allemaal werpen ze af en toe een blik op de stortplaats. Het voelt vreemd om bij de berg te blijven rondhangen. Maar het voelt nog vreemder om weg te gaan.
Dus blijven ze. De hele nacht en de volgende dag. Dan wordt het weer donker. Een verwantschap verbindt hen, verwant door de vuilnisman. Sommigen dommelen wat. Anderen stoken vuurtjes in metalen vaten en praten over de plotselinge overdaad aan sterren aan de donkere hemel. Vroeg in de ochtend zijn de meesten in slaap gevallen.
Ze missen het moment bijna. Het is het meisje dat het ziet. Het meisje met de woede. Eerst gelooft ze haar ogen niet, maar als ze nog eens goed kijkt, weet ze het.
Haar woorden klinken zacht, tegen niemand in het bijzonder. ‘Hij staat rechtop.’
Dan hardop, tegen haar vriendin: ‘Hij staat rechtop.’
En nog luider, tegen iedereen: ‘Hij staat rechtop!’
Ze draait zich om; iedereen draait zich om. Ze zien zijn silhouet tegen de gouden zon.
Hij staat rechtop. Zeker.

Dit verhaal, naar aanleiding van Johannes 1:29, is afkomstig uit ‘Onze redder heel dichtbij’ van Max Lucado.

1 opmerking :

  1. wauw. hier word ik toch even stil van! De verhalen van Max Lucado zijn echt prachtig, mijn zusje heeft 2 boeken over de stippen&sterren en ik heb met mijn belijdenis ook een paar van z'n boeken gekregen. Vooral het boek over 1 korinthe 13 (de liefde) vind ik echt prachtig!!!!

    BeantwoordenVerwijderen

Comments make me happy <3
(Je URL in de comment zetten is not done, ook bij winacties)

Mogelijk gemaakt door Blogger.